De instrumenten van Alma Latina




1. Guitarrón
2. Harp / Arpa
3. Gitaar / Guitarra
4a. Charango (voorkant)
4b. Charango (achterkant)
5. Tres
6. Cuatro

7. Tiple
8. Cajón
9. Soft shaker
10. Accordeon / Acordeón
11. Wiri
12. Claves
13. Güiro
14. Guacharaca
15. Mandoline / Mandolina
16. Tamboerijn / Pandereta
17. Maracas
18. Bombo


Het uitgebreide Latijns-Amerikaanse instrumentarium is afkomstig uit alle windstreken. Zo hebben de Spanjaarden de snaarinstrumenten geïntroduceerd, terwijl de accordeon en bandoneón door immigranten uit Duitsland zijn meegenomen. De maracas zijn afkomstig van de inheemse bevolking, terwijl veel andere ritme-instrumenten met de Afrikaanse dwangarbeiders hun weg naar Latijns-Amerika hebben gevonden.
Over het gebruik van de in Zuid-Amerika bespeelde instrumenten valt veel te zeggen en menig misverstand uit de weg te ruimen. Hieronder worden enkele instrumenten besproken die typisch zijn voor de muziek van Latijns-Amerika en op deze CD van Alma Latina zijn te horen.

Harp
Sommige instrumenten horen gewoon bij een bepaald land. Zo is in Paraguay de harp het nationale instrument geworden. In Venezuela, Perú en Mexico zijn andere soorten harpen ontwikkeld, die op een andere wijze worden bespeeld.
De harp werd in het Spanje van de 16e eeuw vooral gebruikt in de kerkmuziek en aan het Hof. Later, aan het einde van de 17e en in de 18e eeuw, werd de harp ook gebruikt als instrument bij het musiceren buiten de kerk. Het instrument werd zeer populair in de Spaanse kolonies en bleef daar populair toen het in Spanje verdween en plaats maakte voor de viool. Ook de Jezuïeten hadden ten behoeve van hun liturgische diensten harpen meegebracht en de Indianen geleerd hoe ze op het instrument moesten spelen. De harp speelt geen rol in de traditionele Braziliaanse muziek, omdat in Portugal, dat Brazilië heeft gekoloniseerd, de harp al in de 16e eeuw uit de kerkmuziek verdween, samen met andere muziekinstrumenten.

Gitaar
De gitaar, die in onze voorstelling zo sterk verbonden is met Zuid-Amerika, kan niet zonder meer het belangrijkste instrument in de Latijns-Amerikaanse muziek worden genoemd. In sommige landen komt de gitaar pas na de accordeon, de harp of de fluit en geeft men vaak de voorkeur aan kleinere snaarinstrumenten als de cuatro of de charango.
In Paraguay is de gitaar nog steeds hèt begeleidingsinstrument van de harp, en ook in veel landen van het Caraïbisch gebied is de gitaar nog steeds zeer populair, hoewel er in Colombia en Venezuela een voorkeur bestaat voor kleinere instrumenten als de cuatro en de requinto.

Charango
De charango is een klein gitaartje met meestal 5x2 nylon (soms metalen) snaren, dat voornamelijk wordt bespeeld in het Andesgebied in landen als Perú, Bolivia, Argentinië en Chili.    
Het instrument is afgeleid van de Spaanse vihuela, de voorloper van de gitaar. Omdat de inheemse bevolking niet over de vereiste houtbewerkingstechniek beschikte om de gewelfde klankkast te maken, gebruikte men hiervoor het rugschild van de armadillo, het gordeldier. Zo zijn er veel gordeldieren niet alleen de soep maar ook de muziek ingegaan.

 

Cuatro
De cuatro, doorgaans (maar ondanks zijn naam niet altijd) een viersnarig instrument, wordt voornamelijk bespeeld in Venezuela en Colombia, meestal als begeleiding van de harp. Ook in Aruba, Bonaire en Curaçao is de cuatro populair. De cuatro heeft zich ontwikkeld uit de Spaanse voorloper van de gitaar. Al aan het eind van de 16e eeuw heeft zich de specifieke speelstijl van de cuatro ontwikkeld, die tot op de dag van heden is blijven voortbestaan. In tegenstelling tot andere snaarinstrumenten, die in die tijd alleen als solo-instrument werden gebruikt, is voor de cuatro een arpeggio speelwijze ontwikkeld waarbij de snaren worden aangeslagen en afgedempt met een ingewikkelde rechterhandtechniek, specifiek voor elk ritme.

Tiple
De tiple is ook een afgeleide van de gitaar en heeft 4x3 snaren. Hij wordt voornamelijk bespeeld in Colombia en het westen van Venezuela, en heeft een wat zangerig/galmend geluid. Het is vooral een populair begeleidingsinstrument voor romantische en melancholieke liederen.

Tres
De tres is een soort gitaar met (in Cuba) 3x2 of (in Puerto Rico) 3x3 snaren. Het instrument is een afgeleide van de oude snaarinstrumenten die in de 16e en 17e eeuw door de Spanjaarden naar Latijns-Amerika werden meegenomen. Vroeger had de tres de vorm van een peer, zoals de oude Spaanse luit, maar tegenwoordig is de tres vaak in gitaarvorm gebouwd of een omgebouwde gitaar.
Guitarrón
De guitarrón is een grote, akoestische, fretloze basgitaar, meestal met 6 snaren. Hij wordt veel gebruikt in de Mexicaanse mariachi-orkesten, maar wordt ook elders bespeeld ter vervanging van de contrabas.
De guitarrón heeft een geweldig dikke gewelfde klankkast, die een sonoor, aangenaam klinkend geluid produceert. In verband met de omvang van de klankkast wordt het instrument tijdens het spelen min of meer horizontaal gehouden.

Bombo
De bombo (= trommel) is een onmisbaar begeleidingsinstrument bij talloze dansvormen met een Europese inslag, zoals de huayno, carnavalito, bailecito, chacarera, zamba en vidala.
De bombo lijkt op een ouderwetse Europese legertrom, en is daar ook van afgeleid. Hij wordt voornamelijk bespeeld in Argentinië, Bolivia en Perú. De bombo heeft twee trommelvellen van geitenleer en wordt met 2 stokken bespeeld, zowel op de vellen als op de rand en zijkant.

Cajón
Een cajón is in wezen wat de naam ook zegt: een grote kist. De cajón is van Peruaanse oorsprong, dat wil zeggen: in Perú ontwikkeld/gebruikt door de Afrikaanse dwangarbeiders om hun feesten op te luisteren, bij gebrek aan échte instrumenten. Tegenwoordig worden de beste cajones in Duitsland gemaakt, maar Argentijnse folkloristische percussionisten noemen het instrument terecht nog steeds de cajón peruano. Tegenwoordig is de cajón ook populair bij andere muzieksoorten, zoals de Flamenco.

Palo de lluvia
De palo de lluvia (letterlijk: regenstok) is van oorsprong een ceremonieel muziekinstrument dat in veel inheemse gemeenschappen al sinds onheuglijke tijden wordt gebruikt, misschien om de regengeesten te bezweren.
De naam is ontleend aan het geluid van regen die het instrument produceert.
Regenstokken worden gemaakt van (dode) stengels van cactus, die voornamelijk in de woestijnachtige gebieden van Noord-Chili wordt gevonden. De naalden van de cactus worden in de holle stengel gestoken en vormen zo van binnen een spiraalvormig patroon. De stengel wordt nu gevuld met steentjes. Als de stengel wordt omgedraaid rollen de steentjes van boven naar beneden tussen het labyrint van cactusnaalden door en produceren het karakteristieke geluid van regen.

Maracas

Oorspronkelijk zijn maracas gedroogde kalebassen, gevuld met zaden. Later werden de kalebassen vervangen door kunststof of hout en de plantenzaden door rijstkorrels, steentjes of een ander soort vulling.
Maracas zijn van inheemse oorsprong en de naam ervan is ontleend aan het Tupí-Guaraní: mbaracá.
De maracas werden oorspronkelijk gebruikt bij godsdienstige - sjamanistische - rituelen en zijn later “overgenomen” door Afrikanen en mestiezen als ritmisch begeleidingsinstrument.

                                  
Güiro
De rasp is een wijdverbreid ritme-instrument, vooral in de Afro-Caraïbische muziek. Oorspronkelijk was het een uitgeholde kalebas met een of twee klankgaten aan de onderkant, en aan de bovenkant een rij sleuven waar met een stokje overheen werd gestreken. Tegenwoordig worden güiros van allerlei verschillende materialen gemaakt, maar meestal van hout of bamboe.
De güiro van metaal, die op Curaçao wordt gebruikt en daar wiri wordt genoemd, heeft een andere speelwijze en klank. Vaak tref je andere namen aan voor hetzelfde instrument. Zo heet de metalen rasp in Santo Domingo güira en de rasp van bamboehout in Colombia guacharaca. De speelwijze hangt ook af van de vorm en het materiaal van het schraapstokje.

Claves
De claves zijn hardhouten stokjes van 20-25 cm lengte met een diameter van 2,5-3 cm, die ritmisch tegen elkaar worden geslagen, waarbij het ene stokje in de palm van de hand op de vingertoppen rust. Ze zijn een (her)uitvinding van de Afrikaanse dwangarbeiders, die in Cuba op de plantages werkten. De claves tikken een vast contraritme bij dansmuziek zoals de rumba en de cha cha cha.